Woningsluiting na drugsvondst: rechtbank vraagt om betere motivering van sluitingsduur

Rechtbank Limburg, ECLI:NL:RBLIM:2026:5436 

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg heeft zich uitgesproken over de sluiting van een woning in Venlo op grond van artikel 13b Opiumwet.  In de woning en de bijbehorende kelderbox werden verschillende soorten drugs, handelsattributen en goederen aangetroffen die wijzen op de productie van amfetamine. De burgemeester besloot daarop de woning voor negen maanden te sluiten. De bewoner verzette zich tegen dat besluit.  

Feiten en omstandigheden 

In de woning en de bijbehorende kelderbox werden verschillende soorten hard- en softdrugs aangetroffen. Daarnaast werden onder meer een geldtelmachine, een luchtbuks, een mortier en een grote hoeveelheid gripzakjes gevonden. Ook werden in de kelderbox chemicaliën en andere goederen aangetroffen die volgens de bestuurlijke rapportage passen bij de productie van synthetische drugs.  

De burgemeester kwalificeerde de situatie als ernstig en besloot de woning voor negen maanden te sluiten. De bewoner maakte bezwaar. Volgens hem was de sluiting niet meer noodzakelijk, omdat tussen de vondst van de drugs en de voorgenomen sluiting ongeveer vier maanden waren verstreken zonder nieuwe incidenten. Daarnaast stelde hij dat de sluiting grote gevolgen zou hebben voor zijn woonsituatie en privéleven.  

Sluiting blijft in stand  

De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. De aangetroffen hoeveelheid harddrugs en de overige omstandigheden rechtvaardigen toepassing van artikel 13b Opiumwet.  

Ook oordeelt de rechter dat de sluiting nog steeds een geschikt en noodzakelijk middel is. Het tijdsverloop van ongeveer vier maanden maakt volgens de rechtbank niet dat de maatregel haar doel heeft verloren. Daarbij speelt mee dat sprake was van een ernstige situatie met meerdere handelsindicaties en aanwijzingen voor betrokkenheid bij de productie van drugs. Ook de door de bewoner aangevoerde persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn woonsituatie, waren voor de voorzieningenrechter geen aanleiding om de sluiting onevenwichtig te achten.  

Negen maanden? Dat vraagt om betere onderbouwing 

Op één punt krijgt de bewoner wel deels gelijk. Volgens de voorzieningenrechter heeft de burgemeester onvoldoende gemotiveerd waarom juist een sluiting van negen maanden noodzakelijk is. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat een sluiting van negen maanden een ingrijpende maatregel is. Juist daarom moet de burgemeester concreet kunnen uitleggen waarom een kortere sluitingsduur onvoldoende is. De burgemeester zal in bezwaar beter moeten motiveren waarom een kortere sluitingsduur niet volstaat, of alsnog voor een kortere periode moeten kiezen.  

Wat betekent deze uitspraak voor de praktijk?  

Deze uitspraak laat zien dat een sluitingsbesluit niet snel onderuitgaat wanneer sprake is van een ernstige druggerelateerde situatie. Ook enkele maanden tijdsverloop tussen de constatering en de sluiting hoeft niet te betekenen dat de maatregel niet meer geschikt of noodzakelijk is.  

Tegelijkertijd bevestigt de rechtbank dat gemeenten kritisch moeten blijven kijken naar de duur van een sluiting. Een langdurige sluiting vraagt om een concrete en kenbare motivering. Waarom is juist die duur nodig om herhaling te voorkomen en de gevolgen van de overtreding weg te nemen? Die vraag moet expliciet worden beantwoord.  

Voor iedereen die te maken heeft met woningsluitingen op grond van artikel 13b Opiumwet is dit een nuttige herinnering: niet alleen de bevoegdheid tot sluiting, maar ook de gekozen sluitingsduur moet goed worden onderbouwd.

Op de hoogte blijven?

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief! Dan zorgen wij ervoor dat u op de hoogte blijft van de belangrijkste ontwikkelingen binnen onze expertises.