Vergunningplicht of een lichtere maatregel? De Afdeling verduidelijkt wanneer het college mag ingrijpen

Op 15 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4153) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) een uitspraak gedaan over de aanwijzingsbevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders.

In deze uitspraak beoordeelt de Afdeling of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn een bedrijf als vergunningplichtig mocht aanwijzen, omdat de leefbaarheid en de openbare orde in de omgeving van de panden onder druk stonden.

De centrale vraag in deze zaak is of het opleggen van een vergunningplicht noodzakelijk was of dat het college had moeten volstaan met een minder ingrijpende maatregel. Daarbij staat ook de vraag centraal welke verantwoordelijkheid eigenaren en verhuurders hebben om een onveilig en malafide ondernemersklimaat te voorkomen.

Procesverloop

De zaak betreft een hoger beroep van Compromis Vastgoed B.V. en een appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 mei 2024.

De burgemeester en het college hebben bij twee afzonderlijke besluiten de bedrijfswoning en de bedrijfshal aangewezen als vergunningplichtig in de zin van artikel 2:65b van de Algemene Plaatselijke Verordening 2014 (hierna: APV). Bij uitspraak van 24 mei 2024 heeft de rechtbank het door Compromis Vastgoed B.V. en appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartegen hebben zij hoger beroep ingesteld, omdat zij van oordeel zijn dat het college de panden ten onrechte als vergunningplichtig heeft aangewezen.

Wettelijk kader

Artikel 2:65a van de APV bevat de definitie van het begrip bedrijf. Op grond van dit artikel is sprake van een bedrijf wanneer een bedrijfsmatige activiteit plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, een daarbij behorend perceel of enige andere ruimte, niet zijnde een woning, die als zodanig in gebruik is.

In artikel 2:65b, eerste lid, van de APV is de aanwijzingsbevoegdheid van het college opgenomen. Op grond van deze bepaling kan het college gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod van artikel 2:65c, eerste lid, van toepassing is.

Artikel 2:65c, eerste lid, van de APV bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen. Dit betekent dat het college op grond van artikel 2:65b van de APV bevoegd is een bedrijf als vergunningplichtig aan te wijzen.

Oordeel van de Afdeling

De Afdeling oordeelt dat het college de panden terecht als vergunningplichtig heeft aangewezen. Omdat op het gehele perceel een bedrijfsbestemming rustte, mocht ook de bedrijfswoning worden aangewezen.

Daarnaast acht de Afdeling voldoende onderbouwd dat de leefbaarheid en de openbare orde onder druk stonden. Daarbij weegt zij mee dat het bedrijfspand eerder was gesloten en dat beide panden in 2022 opnieuw zijn gesloten. Verder zijn op het perceel grondstoffen en voorwerpen aangetroffen die kunnen worden gebruikt voor de productie van harddrugs. Ook is in de bedrijfswoning een vuurwapen aangetroffen. Daarnaast hebben in de omgeving meerdere politiecontroles en -invallen plaatsgevonden bij autobedrijven in de nabijheid van het bedrijfspand en de bedrijfswoning.

De Afdeling oordeelt verder dat het college de vergunningplicht mocht inzetten om het onveilige en malafide ondernemersklimaat tegen te gaan. De eigenaren hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt welke maatregelen zij zelf hadden genomen om nieuwe verstoringen te voorkomen. Zo hebben zij de huurders niet gescreend, de huurovereenkomsten niet beëindigd en ook geen alternatieve oplossingen aangedragen. Omdat effectieve eigen maatregelen ontbraken, hoefde het college niet te kiezen voor een minder ingrijpende aanpak. De aanwijzingsbesluiten zijn daarom niet onevenredig.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Deze uitspraak maakt duidelijk dat een vergunningplicht niet snel als onevenredig wordt aangemerkt wanneer sprake is van een onveilig of malafide ondernemersklimaat. Van eigenaren en verhuurders mag worden verwacht dat zij zelf verantwoordelijkheid nemen om herhaling van verstoringen van de openbare orde of de leefbaarheid te voorkomen.

Dat betekent dat zij niet kunnen volstaan met de stelling dat een minder zware maatregel mogelijk is. Zij zullen concreet moeten onderbouwen welke maatregelen zij zelf nemen om misstanden te voorkomen. Ontbreekt een dergelijke onderbouwing, dan hoeft het college niet te volstaan met een minder vergaande maatregel dan het opleggen van een vergunningplicht.

Op de hoogte blijven?

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief! Dan zorgen wij ervoor dat u op de hoogte blijft van de belangrijkste ontwikkelingen binnen onze expertises.