Toezicht, politie en ondermijning: wat mag wel?
Op 7 juli 2026 heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan voor de handhavingspraktijk (ECLI:NL:HR:2026:1146). In deze uitspraak staat de inzet van bestuurlijke toezichtbevoegdheden bij de aanpak van ondermijning centraal. Meer specifiek gaat het om de vraag of bevoegdheden die formeel voor bestuurlijk toezicht worden ingezet, ook mogen leiden tot strafvorderlijke doeleinden, zoals het aantreffen van drugs tijdens een integrale controle.
Feiten en omstandigheden
Op dinsdag 18 januari 2022 vond op meerdere adressen een integrale controle plaats naar aanleiding van ondermijnende signalen. Bij deze controle waren meerdere partijen aanwezig: een ambtenaar van Bouwtoezicht, de politie op verzoek van de gemeente en een medewerker van Liander, voor het geval men op een vorm van stroomdiefstal zou stuiten. Nadat op enkele adressen onder meer illegale bewoning en hennepgerelateerde zaken waren aangetroffen, werd ook het pand van de verdachte gecontroleerd. De toezichthouder betrad een openstaand voorgebouw bij het pand en trof daar onder meer vaten, jerrycans met ethanol en aceton en installatiemateriaal aan. Hierdoor ontstond het vermoeden van een drugslab. Na toestemming van de officier van justitie werd vervolgens de woning betreden, waar in de kelder pillen en poeder werden aangetroffen.
Standpunt verdediging
Volgens de verdediging werd een bestuurlijke controle gebruikt om strafvorderlijke voorschriften te omzeilen, omdat vanaf het begin al duidelijk was dat men strafbare feiten verwachtte aan te treffen. Daarmee zouden de rechten van de verdachte zijn geschonden en was het verdere strafrechtelijke onderzoek gebaseerd op onrechtmatig verkregen bewijs.
Belangrijkste overwegingen
Het hof stelde voorop dat ook aan onrechtmatig handelen buiten het klassieke opsporingsonderzoek een rechtsgevolg kan worden verbonden. Dat kan bijvoorbeeld wanneer een onrechtmatige handeling van een toezichthouder of andere niet-opsporingsambtenaar van bepalende invloed is geweest op het latere strafrechtelijke onderzoek. In zo’n geval kan bewijsuitsluiting aan de orde zijn, vooral wanneer het recht op een eerlijk proces is geschonden of wanneer opsporingsambtenaren direct of indirect betrokken zijn geweest bij het onrechtmatige handelen.
In deze zaak kwam het hof echter tot de conclusie dat van onrechtmatig handelen geen sprake was. De gemeentelijke toezichthouder had zijn bevoegdheden volgens het hof ingezet voor een legitiem bestuurlijk doel, namelijk het controleren of panden overeenkomstig het bestemmingsplan werden gebruikt en het tegengaan van illegale en brandgevaarlijke situaties. Dat bij zulke controles de kans bestaat dat ook strafbare feiten worden ontdekt, maakt de controle nog niet strafvorderlijk van aard. Ook de samenwerking met de politie was volgens het hof toegestaan, mede omdat artikel 5:15 Awb bepaalt dat een toezichthouder zich mag laten vergezellen door anderen, mits dit evenredig gebeurt.
Verder zag het hof geen aanwijzingen dat de gemeente haar toezichtbevoegdheden heimelijk had ingezet met een strafvorderlijk doel. Er was volgens het hof ook geen concrete verdenking tegen de verdachte op het moment dat de controle begon. Daarom was nog geen sprake van een opsporingsonderzoek tegen hem. De controle mocht dus worden aangemerkt als een rechtmatige bestuurlijke controle, ook al leidde deze uiteindelijk tot strafrechtelijke bevindingen.
De Hoge Raad liet dit oordeel in stand. Volgens de Hoge Raad was het oordeel van het hof dat de bestuurlijke bevoegdheidsuitoefening niet in strijd was met artikel 1:6 Awb juridisch juist en niet onbegrijpelijk. Dat sprake was van een integrale controle waarbij verschillende overheidsdiensten en de politie samenwerkten, maakte dit niet anders.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Deze uitspraak bevestigt dat gemeenten bestuurlijke toezichtbevoegdheden mogen inzetten bij integrale controles, ook wanneer daarbij strafbare feiten aan het licht kunnen komen. Voorwaarde is wel dat het bestuurlijke doel van de controle voorop blijft staan. Voor de praktijk betekent dit dat toezichthouders de aanleiding en het doel van de controle goed moeten vastleggen. Zo moet duidelijk zijn dat de controle niet uitsluitend is bedoeld als strafrechtelijk onderzoek tegen één specifieke persoon. Ook is een heldere taakverdeling met de politie van belang: de politie mag aanwezig zijn ter ondersteuning, maar moet het strafrechtelijke spoor overnemen zodra concrete strafbare feiten worden vastgesteld.
| Deel dit artikel: |
Gerelateerde berichten
Op de hoogte blijven?
Schrijf u in voor onze nieuwsbrief! Dan zorgen wij ervoor dat u op de hoogte blijft van de belangrijkste ontwikkelingen binnen onze expertises.



