Is een onherroepelijk besluit echt definitief?

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in een tussenuitspraak van 17 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3492) belangrijke verduidelijkingen gegeven over de beoordeling van verzoeken om terug te komen van een onherroepelijk besluit. Centraal staat de vraag wanneer de weigering van een bestuursorgaan om een eerder besluit te herzien als onredelijk moet worden beschouwd.

De zaak draait om een woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet. Hoewel de Afdeling oordeelt dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, benadrukt zij dat een bestuursorgaan bij de beoordeling van een herzieningsverzoek ook moet betrekken of het oorspronkelijke besluit mogelijk onmiskenbaar onjuist was.

Feiten en omstandigheden

De burgemeester van Roermond besloot in september 2019 een huurwoning voor de duur van één maand te sluiten op grond van artikel 13b Opiumwet. In de woning waren voorwerpen aangetroffen die volgens de politie wezen op de voorbereiding van een hennepkwekerij.

De huurder maakte geen bezwaar of beroep tegen dit besluit. Daardoor werd het sluitingsbesluit onherroepelijk.

Nadat de sluitingsperiode was verstreken, mocht de huurder niet terugkeren naar de woning, omdat de huurovereenkomst inmiddels was ontbonden. In 2021 verzocht hij de burgemeester alsnog om het sluitingsbesluit te herzien. Daarbij wees hij onder meer op het feit dat het Openbaar Ministerie had besloten hem niet strafrechtelijk te vervolgen. Ook stelde hij dat de woningsluiting verstrekkende gevolgen had gehad. Volgens hem was hij dakloos geworden, zijn inboedel kwijtgeraakt, de omgangsregeling met zijn zoon beëindigd en kampte hij met PTSS.

De burgemeester wees het herzieningsverzoek af. Volgens de burgemeester waren geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding gaven om terug te komen op het eerdere besluit.

Geen nieuwe feiten of omstandigheden

De Afdeling bevestigt allereerst het bestaande toetsingskader voor herzieningsverzoeken. Een bestuursorgaan mag een verzoek om terug te komen op een eerder besluit afwijzen wanneer geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 Awb.

Volgens de Afdeling heeft de burgemeester zich terecht op het standpunt gesteld dat daarvan in deze zaak geen sprake is. Zo geldt volgens vaste rechtspraak dat een sepot niet als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid kan worden aangemerkt. Ook de persoonlijke omstandigheden waarop de huurder zich beroept, konden grotendeels al eerder in het proces naar voren worden gebracht.

De conclusie is daarom dat het herzieningsverzoek terecht is afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Toch meer nodig dan alleen een toets aan artikel 4:6 Awb

Daarmee is de zaak echter niet afgedaan.

De Afdeling verwijst naar haar recente uitspraak van 18 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:925), waarin is geoordeeld dat bij de beoordeling of een weigering om een besluit te herzien evident onredelijk is, alle omstandigheden van het geval kunnen worden betrokken. Een belangrijke factor daarbij is de vraag of het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist was.

De Afdeling benadrukt dat deze beoordeling losstaat van de vraag of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Ook wanneer een herzieningsverzoek terecht wordt afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb, moet het bestuursorgaan nog steeds beoordelen of die afwijzing evident onredelijk is.

Motiveringsgebrek bij de burgemeester

Volgens de Afdeling heeft de burgemeester deze stap overgeslagen.

In zowel het besluit op bezwaar als de aanvullende motivering die na een eerdere tussenuitspraak werd gegeven, heeft de burgemeester niet beoordeeld of het oorspronkelijke sluitingsbesluit uit 2019 mogelijk onmiskenbaar onjuist was.

Daardoor ontbreekt een essentieel onderdeel van de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Volgens de Afdeling is daarom sprake van een motiveringsgebrek in strijd met artikel 7:12 Awb.

De burgemeester krijgt zes weken de tijd om dit gebrek te herstellen en alsnog gemotiveerd in te gaan op de vraag of het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist was en welke betekenis dat heeft voor de beoordeling van het herzieningsverzoek.

Wat betekent deze uitspraak voor de praktijk?

Deze tussenuitspraak is relevant voor bestuursorganen en procespartijen die te maken krijgen met verzoeken om terug te komen van onherroepelijke besluiten. De Afdeling bevestigt dat de drempel daarvoor hoog blijf, zonder nieuwe feiten of omstandigheden mag een bestuursorgaan een herzieningsverzoek in beginsel afwijzen.

Tegelijkertijd maakt de Afdeling duidelijk dat daarmee niet altijd de zaak is afgedaan. Ook wanneer geen sprake is van nieuwe feiten, moet worden beoordeeld of de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is. Daarbij kan een rol spelen of het oorspronkelijke besluit duidelijk onjuist was.

Op de hoogte blijven?

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief! Dan zorgen wij ervoor dat u op de hoogte blijft van de belangrijkste ontwikkelingen binnen onze expertises.